Britannica

Britannica
2009
Stephen Stills heerst in zijn rechtszaal over goed en kwaad en strijdt onvermoeibaar tegen het zero tolerance-beleid in New York. Na het overlijden van zijn grote liefde vindt hij tussen haar spullen het sleuteltje van de bagagekluis die zijn vader ooit huurde. Het leidt hem naar vier dagboeken, geschreven door spionnen en soldaten op verzoek van de laatste Duitse Kaiser, Wilhelm II. De dagboeken zetten Stills op het spoor van het onderzoek naar de moord op Frans Ferdinand in 1914. Langzaamaan wordt duidelijk in wat voor historische intrige hij verstrikt is geraakt en tot welke krankzinnige beslissingen hij wordt gedwongen. Het is begin september 2001. De tijd dringt.
ASMAN_ebook3

“Boek 2”
‘Boek 2 is het lastigste boek voor een schrijver,’ zegt iedereen die het weten kan. Oeps. Je debuut is verschenen, het is goed ontvangen, er zijn duizenden exemplaren van over de toonbank gegaan, het onhaalbare lijkt bereikt, en dan krijg je dit: ‘Bij Boek 2 val je in het Diepe Zwarte Gat.’

Bij de uitreiking van de Gouden Strop in juni 2006 (terechte winnaar: Charles den Tex’ De macht van meneer Miller) maak ik voor het eerst kennis met de grote namen van het genre, mijn medegenomineerden. ‘Het is beter de Strop niet meteen te winnen,’ raden ze me unaniem aan, alsof ze het hebben afgesproken, de eerdere winnaars.

De les die ik leerde van De Cassandra Paradox was dat ik het mezelf veel te moeilijk had gemaakt. ‘Ik had niet één boek geschreven, maar drie. Wist ik veel,’ schreef ik in januari 2006. Nu, zestien maanden later, bij het verschijnen van mijn “Boek 2”, Britannica, moet ik constateren dat ik die les opnieuw heb geleerd.

‘Als ik aan het schrijven ben, bestaat er een zeker kunstmatig zelfvertrouwen: ik moet volslagen overtuigd zijn van de eenmalige genialiteit van wat ik op dat moment aan het schrijven ben, anders wordt het niks.’ Dat zei de meest foutief gespelde schrijver van Nederland, Ilja Leonard Pfeijffer, op 15 maart jongstleden in de Volkskrant, om er meteen aan toe te voegen: ‘Maar ja, du moment, dat het klaar is en opgestuurd, denk ik: jezus, in mijn hoofd was het een meesterwerk en nu is het dit?!’
Troostende woorden – herkenbaar en pijnlijk.

Voor het Friesch Dagblad word ik geïnterviewd door Peter van den Hoven. Of ik al iets kan zeggen over Boek 2? Nou dat kan ik wel: iets over de Balkan. Zijn prachtige stuk draagt als kop: ‘Willem Asman over De Cassandra Paradox: Creatie op de rand van het ongemakkelijke.’ Ik heb het zelf gezegd, zo verzekert Peter me later. Ik heb het van David Bowie die me leerde dat iets nieuws tot stand komt op het randje van comfortabel, op de plek waar het rafelt, schuurt, pijn doet.

Waar ik Boek 2 begin
Mijn eerste voornemen bij het schrijven van Boek 2 is Bowie-stijl: ik wil geen mobiele telefoons en internet, en geen formuleboek, geen sequel of prequel, maar ‘iets heel anders’. De Paradoxheld die het langst stand weet te houden, tot hij in april 2007 tijdens de laatste herschrijfronde uit het boek verdwijnt (niet uit mijn gedachten), is de blinde FBI-wiseass Stan Bronsky.

Begin 2006 heb ik een paar honderd pagina’s klassieke epic. Een reisgezelschap, een queeste, een middeleeuws decor, Tolkiens Lord of the Rings, Kings The Dark Tower, gecombineerd met Asimovs Foundation TrilogyA long time ago in a galaxy far far away, dat werk. Geen idee wat mijn helden precies uitvoeren behalve elkaar ontmoeten. Ze vertellen elkaar hun levensverhaal, maar “wij” weten dat het niet de waarheid is.

Zo puzzel ik enige tijd door, herlees alles van James Clavell, Pillars of the Earth van Follett, ontdek het woedende Geuzenboek van Louis-Paul Boon, bestudeer de geschiedenis van het middeleeuwse Europa in mijn oude Winkler Prins, tot ik hopeloos verstrikt raak in pausen, tegenpausen en kruistochten, de moderne Clash of Civilizations, maar dan omgekeerd. Mijn schrijven is inmiddels ordinair duw- en trekwerk en komt snerpend tot stilstand. Backstory-carnaval in de hel.

Op de Nieuwjaarsreceptie van De Bezige Bij, 3 februari 2006, arriveer ik op tijd (dus net na Harry Mulisch, ja, de kersverse debutant kent zijn plaats). Wanneer Robbert Ammerlaan me feliciteert met mijn debuut en de eerste recensies, en voorzichtig informeert of ik al een idee heb voor Boek 2, is mijn antwoord: ‘Boek 2? Dat ligt al klaar, hoor. Wanneer wil je het hebben?’

Mijn redding is een foute man
Ik zie het beeld nog voor me: Slobodan Milsosevic in de beklaagdenbank in Den Haag. Schijnbaar onaangedaan luistert hij naar de verschrikkelijke aanklacht: genocide, etnische zuiveringen, misdaden tegen de menselijkheid. Hij is het eerste voormalige staatshoofd dat zich moet verantwoorden voor een VN-tribunaal. ‘Wat denk je van de uitslag?’ is de vraag vanuit de studio aan de verslaggever ter plekke, afgekeken van Studio Sport. Daar is uiteraard nog niets van te zeggen: ‘Het proces kan vele jaren duren.’ Ik schrik van mijn eerste reactie: Jaren? Hoezo? Die man is toch fout? Dat weet toch iedereen?
So far so good.
Tot ik me realiseer dat het proces nog moet beginnen – en is een eerlijk proces niet een van de grondbeginselen van onze rechtstaat? Innocent until proven guilty? Ik weersta de verleiding om de media de schuld te geven, en vraag me af hoe dat eigenlijk zit met die oordelen van mij. Ik weet geen fluit van de Balkan, heb geen idee wat het verschil is tussen Kosovo-Albanezen, Kroatische moslims en Bosnische-Serviërs.

Iemand fout vinden, is mijn voorlopige conclusie, zegt iets over mij. Ik vind het zelfs prettig, want impliciet zeg ik daarmee dat ik goed ben. En als ik, mijn land, zeg maar ‘het vrije westen’, nee zeg maar ‘de beschaafde wereld’, wordt bedreigd, dan hoor ik toch zeker te vechten voor waar ik in geloof? Zo nodig met alle middelen?

Zij zijn fout en wij zijn goed; ik heb eigenlijk geen ander antwoord. Ergens onderin mijn maag roert zich een angstig voorgevoel. Nu de vraag gesteld is, resteert: wil ik het antwoord wel weten?

Waar ‘het’ begint
Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Balkan passeert onvermijdelijk Sarajevo, de stad waar aartshertog Frans-Ferdinand, kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, op 28 juni 1914 wordt vermoord. Volgens de boekjes pleegden Servische terroristen de moord. Oostenrijk-Hongarije, de vervloekte dubbelmonarchie, het meelijwekkende overblijfsel van het ooit glorieuze Habsburgse wereldrijk, loert al jaren op een incident en neemt wraak. De zaak escaleert, de Europese grootmachten laten zich compleet verrassen. De moord leidt tot de Eerste Wereldoorlog, die eindigt met de vernederende vrede die de weg baant voor Hitler. Althans volgens de boekjes: zo staat het in mijn Encarta (editie 2006), mijn Winkler Prins (editie 1973), en de online Encyclopædia Britannica.

En zo heb ik het geleerd: terroristen beginnen een oorlog (fout!) die eindigt met vrede (goed!). Mijn Boek 2 gaat helemaal niet over 1914 en een galaxy far far away. Maar over hier en nu.

Als je leest over de moord, nauwelijks twee jaar nadat de Turken na vijf eeuwen (!) overheersing uit de Balkan zijn verjaagd door een onwaarschijnlijk alliantie van zogeheten ‘dwergstaten’ (Servië, Bulgarije en Griekenland), hoef je geen gelouterde thrillerschrijver te zijn om ogenblikkelijk te zien dat er meer aan de hand moet zijn geweest dan de achteraf zo prettig overzichtelijke reeks terrorist/vergelding/escalatie/oorlog/vrede/Hitler. Ik vind veel vragen, weinig antwoorden. En de schaarse antwoorden zijn te mooi om waar te zijn. Misschien is niets waar, en zelfs dat niet. Dat zei Multatuli (en zelfs dat niet). Ik heb een ooggetuige nodig.

De komst van Michaël Stefan Ritter
Een gepensioneerde Oberinspektor genaamd Ritter, voorheen hoofd Zware Misdaad van het korps Sarajevo, heeft dezelfde vragen als ik – tenminste zo lijkt het aanvankelijk, ook Ritter heeft voor mij later nog een aantal verrassingen in petto. Ik leer hem kennen op de avond voorafgaand aan de moord. Hij heeft een baas en een opvolger en een grootvader. Hij is kinderloos, wees – en heeft hij een verloofde? Zijn naam komt me bekend voor; is hij op zijn beurt misschien de grootvader van onze Ridder uit De Cassandra Paradox?

Hoe dan ook: Ritter onderzoekt de moord, leest het dossier, ondervraagt ooggetuigen, en ontdekt uiteindelijk… ja wat eigenlijk?
In de eerste versie van Britannica ziet een weduwe uit het raam de colonne met de kroonprins naderen, maar net op het moment suprème is ze even afgeleid. Zo mist Ritters eerste ooggetuige de gebeurtenis die de loop van de geschiedenis zal veranderen. Zijn tweede ooggetuige is een blinde oude man op een bankje aan de oever van de Miljacka.
Het klinkt als goedkope cliffhangers. Effectbejag. De waarheid is dat ik die ooggetuigen niet heb verzonnen, in elk geval niet bewust, actief. Ze ‘overkomen’ me, ik kom ze letterlijk letter voor letter tegen. Op mijn beste dagen kan ik genieten van dit niet-vooringenomen zijn. Vergelijk het met een wandeling door een onbekend landschap. Of met het ontdekken van een nieuw land, een nieuwe stad, waar je iemand zult leren kennen met een onverwachte vraag op een onverwachte plek. Ergens heen moeten, denken dat ik verdwaald ben, of bang zijn dat het straks zal gaan regenen – die gedachten leiden mij alleen maar af.

Het geheim van schrijven, voor mij, is nederig blijven, het spoor is er namelijk al, ik moet het alleen nog vinden. Of liever gezegd: ik kijk mee over de schouder van de eigenlijke spoorzoeker, mijn Oberinspektor. Ik schrijf twee boeken, denk ik wel eens: het eerste voor mijzelf, waarin ik zoek naar de ontdekking van het spoor, het lichtknopje in een uitgestrekt verduisterd doolhof. Het tweede verschijnt uiteindelijk in de boekwinkel, maar pas na veel geploeter tijdens het herschrijven. Want mijn ‘geheim’ is natuurlijk tegelijkertijd ook mijn valkuil. In de woorden van Kees van Kooten: ‘Ik ben mijn eigen bananenschil.’ Wat nou nederige spoorzoeker – ik was toch de ambitieuze schrijver?

Het spoor wordt de lont
Wat ook helpt: onverwachte antwoorden op onverwachte plekken. Van Michel en Hester krijg ik tijdens de zomer van 2006 Barbara Tuchmans The Zimmermann Telegramm. Op de valreep completeert Tuchman mijn legpuzzel rond het machtigste land ter wereld, van Habsburg via het British Empire naar de VS. En als ik JdeJ vertel welk spoor ik volg, geeft ze mij David Fromkins De laatste zomer.

Nog menigmaal zal ik verdwalen in het enorme feitenweb dat ik voor Britannica bouw en weer afbreek, maar Fromkin blijft overeind. ‘1914 was de kiemcel van de moderne tijd,’ schrijft hij, en hij citeert Thomas Mann, die de Eerste Wereldoorlog het begin noemde van zoveel ‘dat nog maar nauwelijks begonnen is.’ Het spoor dat mijn fictieve Oberinspektor Ritter volgt, blijkt een lont te zijn die alle grote conflicten van de afgelopen eeuw met elkaar verbindt – en de bad guys van de Balkan met Hitler, Saddam en Osama.

‘Verhalen leiden tot verhalen,’ zoals Paul Joosten het samenvat. Zo gaat het bij mij, en dus met Ritter. Als ik mijn werk goed gedaan heb, bent u – net als ik destijds – benieuwd hoe het met hem afloopt. Goed of fout? Is er een derde weg? Laat ik u dit zeggen: hij heeft in mijn eerste versie van het manuscript letterlijk maanden in de rij voor het loket van het station van Sarajevo gestaan, om een treinkaartje te kopen naar Zwitserland. Ik had geen idee waarom het hem maar niet lukte – hoe moeilijk was dat nou? Een jaar na de moord kwam ik hem weer tegen bij een groep adelborsten die in een Weens bordeel baldadig de wereld verbetert (hun voorlopige conclusie: de wereld wacht op een sterke leider), weer een jaar later bezoekt hij een soldaat met (voorgewende?) geheugenproblemen aan het Westelijk Front, en in een lange flashback zie ik hem in Londen een jaar voor de moord. Maar van dat perron in Sarajevo kreeg ik hem lang niet af. Tot ik begreep dat hij niets in Zwitserland te zoeken had, en hij zonder problemen een kaartje kocht naar zijn werkelijke bestemming. Ritters perron was voor Britannica wat de ridder aan de oever van de rivier was voor De Cassandra Paradox.

Een journalist in New York in 2006 komt de dagboeken op het spoor. Hij is kinderloos, wees, heeft één vriend, een baan en een baas aan wie hij een hekel heeft. Die journalist wordt in een boek over goed en fout natuurlijk een rechter, in 2001, pre-nine-eleven. Zijn baas: Rudy Giuliani.

Waar het eindigt
Loopt Britannica goed af? Fout? Is er een derde weg? Worden alle vragen beantwoord? Dat oordeel is aan de lezer. Aan de slotscènes heb ik gepeuterd en gepoetst zolang het mocht van de uitgever, aan de prologen trouwens ook. Het manuscript van Britannica dat ik eind zomer 2006 aflever, telt vier dagboeken van ooggetuigen, waarvan er drie het uiteindelijke boek niet zullen halen. Ook sneuvelen 60.000 woorden uitleg, zijsporen en dubbele bodems. Er is niets mis met gedegen research, maar wel met mijn neiging al die leerzame feitjes en parallellen dan ook in het boek te willen etaleren. Patsen, noemt Mac het. Leuk voor de wereldkampioenschappen erudiet woordbreien. (Over de Verdwenen Hoofdstukken van Britannica later meer.)

‘Erg goed, maar topzwaar,’ is dan ook het eerste oordeel van Pieter Swinkels, de hoofdredacteur die voor de onmogelijke taak staat mijn JdeJ te vervangen. De liefde, het geduld en de aandacht waarmee hij, Karin, Yvette, Anne L., Nanda en alle anderen van De Bezige Bij /Cargo met mij en mijn Boek 2 aan de slag gaan, en het vele malen beter maken, evenaart mijn ervaringen met De Cassandra Paradox.

Britannica is af. Ik weet waar het in elk geval mee eindigt: met een koffer vol goede voornemens voor Boek 3. Had ik u al verteld dat Boek 3 het lastigste boek is om te schrijven? U moet niet alles geloven wat ik vertel. (Over Boek 3 later meer.) Britannica is af, en natuurlijk ook helemaal niet. Voor mij is het af – maar voor het boek begint de reis nu pas, wie weet naar een perronnetje bij u in de buurt.

(WA, mei 2007)

Het eerste exemplaar  24 mei 2007
Er is tot op het laatst gedoe met het omslag van Britannica – de dreigende lucht in contrast met de kont van het paard – en er komt een spoedkoerier aan te pas om het om tien over vijf, vers van de binder, bij de uitgeverij te bezorgen.
We zingen Pieter Swinkels toe, het blijkt zijn verjaardag.
Boek 2 in mijn handen. Ik ruik het, voel aan de kaft, streel met mijn vingertoppen over de in goudfolie opgelegde letters. I did it – again.
Hapje, drankje, toespraakje, felicitaties, familie viert warm mooi moment.
Jongste dochter glimt van trots.
Ik vergeet adem te halen, herken het gevoel: vol en leeg, afscheid en ontmoeting, begin en einde. Vanaf vandaag is het boek niet langer van mij, maar van de lezer. Als om dat te onderstrepen is de eerste recensie er ook al: HP/De Tijd geeft Britannica vier sterren. ‘Asman weet te overtuigen en te ontroeren.’ Eens in de zoveel tijd valt de woordkunstenaar stil en zo ook bij deze recensie, die het een verhaal noemt over vriendschap, loyaliteit en de relatie tussen vaders en zonen.
Het eerste exemplaar is voor mijn vader. De drie kantjes dankwoord die hij uit zijn achterzak haalt, blijken blanco. Later zie ik mezelf terug op de foto’s: kleine jongen weet zich geen raad met zijn handen.

De droom, in de herhaling
Een miljoen mensen schijnt te dromen van wat ik nu voor de tweede keer meemaak: een boek. Kijk, daar staat het. Mijn woorden, zwart op wit, opnieuw, voor altijd ergens.
Zijn dromen bedrog, zoals het cliché wil? Dan hebben we het er zelf naar gemaakt. De mens is als Abeltje: de liftknopjes die mogen, bevredigen niet. Wie A heeft wil B, en omgekeerd. Als je niet oppast wordt een prachtige droom werkelijkheid, business as usual, en wordt schrijven een baan zoals elke andere, routine – sterker nog: een recht – en is het uitblijven van een recensie, een herdruk, een nominatie diefstal.
Ik neem me in mei 2007 dan ook voor om niets gewoon te gaan vinden, op niets te rekenen, me van alles bewust te zijn, en de ontvangst van mijn Boek 2 intens en onbevangen te ondergaan, alle hoogte- en dieptepunten, wat er ook gaat komen, als ware het mijn debuut, opnieuw.
Dat voornemen redt mij – na een of twee vloeken, eerlijk is eerlijk – wanneer Britannica in mei 2008 niet wordt genomineerd voor de Gouden Strop.

Vergelijken
Het grote voordeel van Boek 1: je bent vers, hebt nog geen naam, nog geen reputatie.
Het grote voordeel van een reputatie: je past in een vakje.
Het grote nadeel van een reputatie: je past in een vakje.
Het grote voordeel van Boek 2: we kunnen vergelijken.

Anders
Anders, om te beginnen, is dat ik ditmaal niet in januari verschijn, traditioneel de maand after the month before, maar in juni. Juni is de Maand van het Spannende Boek. De concurrentie om een plaats in het schap in de boekhandel zo kort voor de zomervakantie is moordend, om maar niet te spreken over de strijd om de spaarzame kolommen thrillerrecensie in de pers. De Cassandra Paradox kreeg tweemaal meer aandacht in dag- en weekbladen dan Britannica.
Daar staat meer op internet tegenover. Gijs Koorevaar heeft opnieuw de primeur. Destijds vond hij me maar een rare snijboon geloof ik, maar ditmaal is het gesprek losser, prettiger. Later volgen Jurgen Joosten, Kees de Bree, Margo Westerbeek en de forumsite Eerste Wereldoorlog.
Ook nieuw: Britannica wordt door De Bezige Bij tot leesclubtip van de maand uitgeroepen. Of ik een aantal vragen kan verzinnen.
Mmm. Een raar schoolmeestergevoel maakt zich van mij meester. Ter inspiratie lees ik de vragen van mijn voorgangers, Tomas Ross, Amos Oz, Jan Siebelink, Erwin Mortier, Khaled Hosseini. “Is het onbeleefd om iemand een boek te geven en later te vragen of hij het mooi vond?” lees ik. En, over Joe Speedboot, maar erg dichtbij: “Kent het boek volgens u een goede afloop, of juist niet?”
Over de schouders van M, op veilige afstand, lees ik begin juni de laatste hoofdstukken van Britannica mee. Merkwaardig om te doen. Bij Boek 1 is het me, nu bijna drie jaar later, nog altijd niet gelukt.
Als de mannen van lezen.tv langskomen, lees ik voor het eerst publiekelijk voor uit eigen werk.
Nieuw is ook de aandacht op de radio. Zo ben ik live te gast bij Salto FM, en twee weken lang ben ik om de dag bij het prettig langzame programma Plein 5 te horen als gastjurylid.
Nog een primeur: op collegenet.nl verschijnt een heus schools uittreksel van Britannica. ‘Niet te veel nadenken over dit boek,’ staat er, de eerste keer dat ik dát hoor.
Bij de gratie van Boek 2 zijn er ook de eerste voorzichtige duidingen van mijn ‘oeuvre’, Asmans Verzamelde Werk. Noblesse oblige, Rob van Dijk, mijn leraar Nederlands op de middelbare school, waagt de eerste poging: ‘een fascinatie voor macht, magie en wantrouwen.’ HP/De Tijd: ‘Asman schuwt het grote gebaar niet.’ NRC: ‘Asman moet oppassen met holistische abracadabra.’ Peter Gielisse van lezen.tv: ‘Asman ziet verbanden, die anderen niet zien – alsof hij er meer van weet.’

Niet anders
Niet anders is de opwinding wanneer de eerste stapel Britannica wordt gespot, op 31 mei in de stations-AKO van C.S. Amsterdam.
En niet anders is de discussie over mijn ontknoping. Ezzulia opent het bal, noemt Britannicaeen ‘machtig epos’, maar trekt een ster af voor het slot. Vriend LB biecht mij op dat hij twee dagen op mij heeft lopen schelden vanwege dat einde.
Deze discussie gaat opnieuw volledig aan de redactie van de VN’s Detective- en Thrillergids voorbij, want ook Boek 2 is, zo meldt de recensent monter, na 80 pagina’s opzij gelegd. Toch promoveer ik van 1 naar 2 sterren en word ik uitgeroepen tot de hoogste genoteerde Nederlandse Dan Brown-kloon.
Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich opnieuw de NRC: ‘Asman legt de lat op het niveau John le Carré en zeilt er zowaar heelhuids overheen’.

Ten slotte
Nu we het toch over ontknopingen hebben: in de zomer van 2008 maken Pieter Swinkels en ik de balans op van het eerste jaar Britannica. We concluderen dat we er meer van hadden verwacht. Het is goed ontvangen, bovengemiddeld verkocht, en toch… Wat konden we leren? Was het de datum van verschijnen? De donkere, volle omslag? Nine eleven?
We komen er niet uit, vinden het lastig afscheid te nemen, lastiger dan van Boek 1 in elk geval.
Misschien is het een voorteken, als in juli Radovan Karadzic in Belgrado wordt gearresteerd, en diverse lezers mij melden dat ze mijn Boek 2 opnieuw ter hand hebben genomen.

Britannica – hoe het verder ging, kortom, wordt vervolgd.

(WA, december 2008)

NRC, Gert Jan de Vries, 22 juni 2007:
‘Asman blaast het thrillergenre een intelligente adem in. Hij legt de lat op het niveau van John le Carré en zeilt er zowaar heelhuids overheen.’

HP/De Tijd, Marcella van der Weg, 25 mei 2007:
‘Asman weet te overtuigen en te ontroeren.’

lezen.tv, Peter Gielissen, mei 2007:
‘Monumentaal. Gedurfd. Voortreffelijk!’

Crimezone, Kees de Bree, 11 september 2007:
‘Asman is een intelligent verteller. Zijn uitgangspunt is origineel, zijn stijl knap, zijn taalgebruik verzorgd en beeldend. Britannica is een prachtig boek dat constant prikkelt. Een thriller op niveau. Slim en spannend van het begin tot het einde.’

ezzulia.nl, Jurgen Joosten, mei 2007:
‘Een machtig epos.’

plantagebooksandmore.nl, Gijs Korevaar, mei 2007:
‘Ook Britannica, zijn tweede, staat weer als een huis.’

Metro, Luc Wierts, 25 juni 2007:
‘Het verhaal ontpopt zich in een razend tempo. Asman kan de lezer boeien.’

zin.nl, Bea Ros, september 2007:
‘Asman laat de lezer dwars door de moderne wereldgeschiedenis reizen en knoopt Slobodan Milosevic, Kaiser Wilhelm II en Nine-Eleven op vernuftige wijze aan elkaar. Een intrigerend, spannend boek over goed en fout in de geschiedenis.’